//
Artikel
Artikelen

De Graafschap en de Italiaanse connectie. Samenwerkingsverband met Udinese zorgt voor chaos op de Vijverberg

De Italiaanse subtopper Udinese maakt de afgelopen seizoenen indruk. Het scoutingsapparaat van de club is veelgeroemd en spelers uit alle windstreken maken indruk in het Noord-Italiaans Udine. De Ghanese stofzuiger Kwadwo Asamoah, de Sloveense doelman Samir Handanovic, de Roemeense spits Gabriel Torje en de Chileense middenvelder Maurício Aníbal Isla, ze vormen zomaar een greep uit de spelers die door de Italiaanse club al op jonge leeftijd uit hun vaderland zijn opgeduikeld en inmiddels furore maken in de Italiaanse competitie. Verder zijn spelers als Roman Eremenko, Gökhan Inler, Per Krøldrup, Aleksandar Luković, Zlatan Muslimović, Sulley Ali Muntari, David Pizarro en natuurlijk Alexis Sánchez en Asamoah Gyan inmiddels vertrokken, maar ze blijven nog steeds getuigdragers van het feit dat de Udinese-scouts zich in het verleden prima van hun taak hebben gekweten. Velen weten niet dat de basis voor dit jeugdscoutingsnetwerk reeds in de jaren negentig is gelegd – voordat een club als Arsenal furore maakte met het op jonge leeftijd wegplukken van talenten – en dat een samenwerkingsverband met de Achterhoekse voetbaltrots De Graafschap deel uitmaakte van dit ‘masterplan’. Dat dit een vergeten feit uit de roemruchte Udinese-geschiedenis is, toont de mislukking aan van het plan. Dit artikel neemt je mee naar het einde van de jaren negentig, toen Udinese-testspelers op de Vijverberg regelmatig voor Babylonische spraakverwarringen zorgden.

Duiventil
‘Ik wil graag trainen op automatismen en spelsystemen, maar ben meer bezig met het uit mijn hoofd leren van de namen van testspelers. Haast iedere week word ik weer met een aantal nieuwe gezichten geconfronteerd. Dat is weleens vermoeiend.’ De nieuwe trainer Frans Thijssen zat al reeds de voorbereiding op het seizoen 1999/2000 met de handen in het haar. Waarschijnlijk moet de geboren Maldenaar andere verwachtingen hebben gehad bij het werken tussen de Superboeren. Gedurende de voorbereidingswedstrijden had hij gedacht rustig patronen in de ploeg te slijpen, maar Thijssens plannen

Massamasso Komi Tchangai, bron: http://www.worldfootball.net

konden al gauw in de prullenbak. Gedurende de zomermaanden wandelden de Zweed Patrick Friedholm, de Kameroenees met de indrukwekkende naam Sanda Sanda, de Braziliaan Janeiro Schnneider, de Togolees Massamasso Komi Tchangai en de Ghanees Abdul Rahman Issah de Doetinchemse trainingsvelden op. Superboer Erik Redeker sloot zich al gauw bij zijn trainer aan: ‘Laatst stond ik tijdens een wedstrijd centraal achterin, met naast me die Tchangai. Een hoge bal komt onze kant op. Ik roep “Massamasso, die is voor mij”. Dacht hij dat ik zei “Die is voor jou”. Toen knalden we met onze koppen tegen elkaar. Het incident is exemplarisch voor de situatie in de Achterhoek en van de meeste van de exoten, gezegend met indrukwekkende samba-namen, vernamen we inmiddels weinig meer.

‘Potentiële toptalenten’
Het experiment met exoten in de Achterhoek begon zo goed. Halverwege de jaren negentig werd een maatje gezocht voor topscorer Erik Viscaal. Benny Joling moet zich, net als menig andere Superboer,  verdwaasd door zijn ogen gewreven hebben toen hij daar op de trainingsvelden een donkere spits met indrukwekkend gestalte zag lopen. Ali Ibrahim was de naam, Ghana zijn geboorteland en zijn komst een schot in de roos. De Ghanese spits voelde zich als een vis in het water in de Achterhoek en maakte deel uit van het beste De Graafschap ooit: De blauw-witte turbo eindigde het seizoen op een achtste plek. Hoewel de prestatie met recht succesvol kan worden genoemd, was het illustratief voor het seizoen dat de spelers op dat moment niet eens zo tevreden waren. In de winter hadden ze immers op een derde plek gestaan.

Ibrahim (6 doelpunten) maakte deel uit van het succesteam onder leiding van Fritz Korbach, en wist naast zich in de voorhoede Erik Viscaal (9 doelpunten) en Hans van de Haar (8 doelpunten). Hoewel Ibrahim minder productief was dan zijn aanvalsmaatjes, zorgde hij voor één van de meest legendarische momenten uit waarschijnlijk de hele Eredivisiegeschiedenis, toen hij via een hakknal Edwin van der Sar in de ArenA verraste. De bal spatte uiteen op de Amsterdamse lat, maar de wedstrijd tegen de Amsterdamse supersterren die in 1-1 eindigde, was een bevestiging dat De Graafschap op de goede weg was.

Datzelfde moet ook voorzitter Hylke Enzerink gedacht hebben toen hij, gesterkt door het succes van de Pool Tomás Rzasa en de Fin Ville Vaisanen in het seizoen 1997/1998, besloot dat De Graafschap een broedplaats moest worden voor buitenlands talent. Voor dit plan werd Udinese bereid gevonden om mee samen te werken. Al gauw bleek dat het succes van Ali Ibrahim (die ondanks avonturen in Turkije en Duitsland uiteindelijk terugkeerde in Gelderland bij SV Babberich en DCS Zevenaar) niet per definitie kopieerbaar was. Al waren voorafgaand aan het seizoen 1998/1999 veelbelovende balkunstenaars als Hazem Emam en Zico Tumba gecontracteerd, de prestaties vielen ontzettend tegen. Zico Tumba bleek beter te kunnen knokken dan dribbelen – getuige zijn herhaaldelijke handgemenen met ploeggenoot Sonny Silooy – en Hazem Emam had van het woord ‘meeverdedigen’ – of wat daarvoor de Egyptische evenknie dan ook is – nooit gehoord. Fritz Korbach werd in december van dat seizoen geslachtofferd en voor een half jaar nam Hans van Doorneveld het over. Onder zijn leiding handhaafde De Graafschap zich, waarna de rustige Frans Thijssen vanaf de zomer van 1999 de technische leiding op zich nam.

Tumba balde op een blauwe maandag nog voor NEC, bron: http://www.voetbalprimeur.nl

Hoewel Thijssen zoals eerder opgemerkt weinig op had met het op zijn minst avontuurlijk te noemen transferbeleid van De Graafschap, weigerde Enzerink naar zijn nieuwe trainer te luisteren. De kritiek van Thijssen op de duiventil-situatie aan de Vijverberg werd door de voorzitter weggelachen. Enzerink noemde de exotische nieuwelingen ‘toptalenten met wie De Graafschap komend seizoen zomaar bij de eerste negen op de ranglijst kan eindigen’. Het bleken voortekenen dat de samenwerking met Thijssen niet onder een gunstig gesternte stond. De ergernis van Thijssen nam toe toen tijdens de voorbereiding de Deense nieuweling Cliford niet kwam opdagen en een half leger testspelers uiteindelijk ook nog eens te duur bleek en gedesilussioneerd terugkeerde naar Italië. Thijssen koos al na een paar competitiewedstrijden eieren voor zijn geld en vertrok uit de Achterhoek. Zijn opvolger was de Italiaan Massimo Morales.

Massimo Morales: ‘Godfather’ in Doetinchem
Udinese had die zomer voorafgaand aan de aanstelling van Thijssen de bestuurlijke chaos bij haar dochterclub met lede ogen aangezien en besloot iemand naar de club te sturen die rechtstreeks verslag moest gaan uitbrengen. Zodoende werd scout Massimo Morales de Achterhoek in gestuurd, een Italiaan die banen als jeugdtrainer bij Bayern München en trainer/coach van het Ghanese King Faisal Babes op zijn verder weinig indrukwekkende cv had staan en op een blauwe maandag nog in de Beierse dug-out plaats had genomen naast Giovanni Trappatoni. Dat talent voor het trainersvak geen vereiste voor die positie hoeft te zijn, bewees kortgeleden nog ene Andries Jonker.

Morales, als trainer van Fortuna Düsseldorf, bron: http://www.rp-online.de

Morales werd zodoende in de Achterhoek geposteerd en Thijssen kreeg er zo een weinig loyale assistent-trainer bij. Morales bleek in de praktijk helemaal geen assistent te zijn en vulde een belangrijke edoch dubieuze rol in de strubbelingen tussen de buitenlandse spelers en trainer Thijssen. Toen laatstgenoemde zijn contract inleverde, bleek Morales dan ook niet de beroerdste en hij maakte het jaar 1999 als trainer af.

Enzerink had zijn pijlen inmiddels echter op een nieuwe trainer gericht: Rob McDonald. De Engelse oud-spits was trainer van DOVO en deed in de winter zijn intrede op het Gelderse trainingsveld. Ook McDonald kreeg de Doetinchemse voetbaltrots niet aan het voetballen. Morales trok zich overigens weer terug als assistent-trainer en bekleedde in de tijd die hem restte als Super-agricoltore ook nog de functie van technisch manager. Met het vertrek van Morales in de zomer van 2000 werd het samenwerkingsverband met Udinese beëindigd. De meeste Achterhoekse exoten verdwenen die zomer van de Nederlandse velden om elders in de vergetelheid te geraken. Slechts Massamasso Komi Tchangai dook nog op tijdens het WK 2006 toen hij acte de présence gaf voor Togo. Vier jaar later, in de zomer van 2010, overleed hij plotseling aan een hartaanval. Hij stond toen onder contract bij de Saoedische voetbalclub Al Nassr. In de plaats van Emam en Tumba kwamen Brutil Hosé en Marino Promes. Ook zij faalden hopeloos en in Doetinchem groeide het besef dat de succesperiode van 1996-1998 definitief ten einde was. In 2003, met Jurrie Koolhof, Gerard Marsman, nog een keer Jurrie Koolhof en Peter Bosz weer drie verschillende trainers verder, degradeerde De Graafschap naar de Eerste Divisie. Hoewel De Graafschap na een miraculeuze nacompetitie weer promoveerde, is de club tot op de dag van vandaag ver verwijderd van de succesjaren halverwege de jaren negentig. En Morales? Die bewees inmiddels bij Potenza, Bellinzona, Rondinella, Varese, Fortuna Düsseldorf, Waldorf Mannheim, FK Příbram en Budapest Honved dat hij een vermaard clubhopper is die zichzelf makkelijk bij clubs naar binnen weet te werken. Zijn periode bij De Graafschap neemt een bescheiden plek in op zijn cv en zal in huize Morales waarschijnlijk weinig ter sprake komen. Omgekeerd zullen in Udine en Doetinchem waarschijnlijk eveneens weinigen met warme gevoelens terugdenken aan de louche Italiaan.


Bron:

http://retro.nrc.nl/W2/Nieuws/1999/08/06/Spo/01.html

Over Remy Maessen

"Ik herinner het me als de dag van gisteren. Het was zaterdagmiddag rond een uur of twee. Die ochtend had ik – als voorhoedespeler van de D-jeugd van de inmiddels niet meer bestaande voetbalclub KVC – waarschijnlijk weer wat kansen om zeep geholpen en ik zat inmiddels huiswerk te maken. Mijn vader, toenmalig bestuurslid van VVV, vroeg of ik zin had om die avond samen met hem naar ‘De Koel’ – nog steeds Neerlands meest pittoreske voetbalstadion – te gaan voor de wedstrijd tussen VVV en FC Den Bosch. De Venlonaren hielden het Den Bosch van Ruud van Nistelrooij en Anthony Lurling op 1-1 en mijn liefde voor het spelletje was geboren. Inmiddels, 14 seizoensgidsen van Voetbal International verder, ben ik bijna afgestudeerd als parlementair historicus en durf ik te zeggen dat ik van meer antiquarische voetbalfeitjes – van lang vergeten eindtoernooien tot de Nigeriaanse competitie anno 2011 – op de hoogte ben dan menig ander liefhebber. Deze feitjes zal ik – evenals mijn ervaring als hoofredacteur van diverse tijdschriften – gaan aanwenden om dit initiatief tot een succes te maken. Kleine momentjes en kenschetsen van vergeelde voetbalbladzijden vormen mijn specialisatie – bedoeld om bij elke lezer een ‘aha-erlebnis’ op te wekken."
%d bloggers liken dit: