//
Artikel
Artikelen

EK 1976 – Wat een Oranje toernooi had moeten worden. Deel 1

De bal op elf meter. De aanloop stokt even. De keeper duikt naar de hoek en met een haast nonchalante voetbeweging wordt de bal de gapende doelmond in gestift. Verslagen ligt de doelman op de grond als de bal als ware in slowmotion op hem afkomt, maar er is geen redden meer aan. Hij kan slechts vernederd toezien hoe de bal de lijn passeert. Het genadeloos gepasseerde slachtoffer van dit staaltje hoogmoedigheid kan gerust zijn: hij is niet de eerste die ten prooi valt aan een gewetenloze elfmeterkoning. Op verregende bijveldjes van zesdeklassers in de provincies, in kolkende stadions op een WK eindtoernooi: de waaghalzen zijn overal te vinden. De stift-penalty draagt al meer dan drie decennia de naam van de voetballer die de variant op het hoogste podium introduceerde: Antonín Panenka. Namens Tsjechoslowakije besliste hij middels zo’n stiftje de penaltyserie, die nodig was nadat de EK-finale in 1976 tegen de West-Duitsers in 2-2 was geëindigd. Zo won niet Weltmeister West-Duitsland het EK, maar de outsider Tsjechoslowakije. Het land dat twee jaar eerder de wereld betoverde met ‘totaalvoetbal’ en met West-Duitsland topfavoriet was, was toen allang uitgeschakeld. Hoewel alle vedetten van 1974 present waren, gingen de Nederlanders roemloos ten onder. Een impressie van een toernooi dat het hoogtepunt van de Nederlandse topgeneratie had moeten worden, maar de geschiedenis in ging als het toernooi van de penalty van een tot dan toe betrekkelijk onbekende Tsjechoslowaak.

Eindelijk revanche
Nederland kwam vrij eenvoudig door de kwalificatie. In de poule werd Nederland dan wel ternauwernood eerste, maar toen het er echt om ging, in de beslissingswedstrijd tegen België liet het sterrenensemble een fraai staaltje voetbal zien. Had Nederland voorafgaand aan het succesvol verlopen toernooi van twee jaren eerder nog een arbitrale dwaling nodig om de zuiderburen op 0-0 te houden, nu werd in de eerste van het tweeluik wedstrijden tegen de Zuiderburen al met 5-0 met hen afgerekend. Een indrukwekkend staaltje machtsvertoon dat de tweede wedstrijd – ook eindigend in een Nederlandse overwinning – tot een formaliteit maakte. Het liet eens te meer zien dat Europa rekening diende te houden met de sterren van 1974, die twee jaren later allemaal op de toppen van hun kunnen waren. Neeskens, Van Hanegem en natuurlijk aanvoerder Johan Cruijff: het waren gelouterde wereldsterren die afreisden naar Joegoslavië, om voor eens en voor altijd revanche te nemen op de West-Duitsers.

Aan het toernooi deden echter meer landen mee dan de finalisten van 1974, maar dat interesseerde de Nederlanders niet zo. Joegoslavië mocht als thuisland figureren en eigenlijk vroeg iedereen zich voorafgaand aan het toernooi af wat Tsjechoslowakije kwam doen op het toernooi. De Tsjechoslowaken hadden zich ternauwernood geplaatst na beslissingswedstrijden tegen de Sovjet-Unie en mochten eigenlijk al heel tevreden zijn met die prestatie. In Nederland lag dan ook niemand echt wakker van de eerste wedstrijd van het toernooi. Dat na deze wedstrijd de West-Duitsers weer wachtten, dát was van belang. Voor het gemak werd er vanuit gegaan dat de West-Duitsers op hun beurt ook korte metten zouden maken met de Joegoslaven, zoals Nederland dat ging doen tegen de Tsjechoslowaken. ‘Het ging om de volgende wedstrijd’, zo zei bondscoach Georg Knöbel later tegen Andere Tijden Sport, terwijl er in het land stemmen op gingen om vedette Cruijff te sparen voor de finale. Bij een gele kaart in de eerste wedstrijd, zou hij tegen de Duitsers immers geschorst zijn.

Oranje kleurt rood
Eigenlijk waren de omstandigheden voor Oranje in Zagreb het best te vergelijken met een concert van de Beatles op een Megapiratenfestijn. Een belabberd veld, een gevolg van dagenlang noodweer, was niet de ambiance die paste bij de Nederlandse supersterren. Getooid met een modieuze bos lange haren deden die supersterren in 1976 inderdaad meer denken aan de popmuzikanten uit Liverpool, dan aan het op dat moment geldende stereotype van de voetballer. Gelouterde idolen met vrije geesten stapten uit het vliegtuig in Joegoslavië, neerdalend vanaf de allerhoogste podia die de jaren zeventig op voetbalgebied kende: Barcelona, Valencia, Ajax.

Waarschijnlijk is er geen voetbalwedstrijd geweest, waaop het veelgenoemde ‘generatieconflict’ uit de laten jaren zestig en zeventig zo aan de oppervlakte kwam als in de wedstrijd Nederland-Tsjechoslowakije. Voorafgaand aan de wedstrijd betrad de dienstdoende scheidsrechter Clive Thomas – een strikte Welshman, geboren in 1936 en daarmee een vermaarde veteraan in het arbiterkorps – de Nederlandse kleedkamer met een priemende vinger om het mondige, langharige tuig – dat het Nederlands Elftal op dat moment waarschijnlijk voor de conservatieve Brit was – te melden dat hij onsportief spel en provocatie hard zou gaan bestraffen in de wedstrijd. De Nederlandse voetballers zouden bij hem gedurende de wedstrijd die volgde het tegendeel laten zien en haalden hem het bloed onder de nagels vandaan. Waarschijnlijk gold omgekeerd precies hetzelfde.

De Nederlandse sterren waren dergelijke taal niet gewend en gingen eigenlijk de hele wedstrijd vooral de strijd aan met de scheidrechter. Dat hier een verzameling supersterren op het verregende veld stond, dat werd op geen enkel moment duidelijk. Clive Thomas hield woord. Elke kleine overtreding, elke futiliteit, werd door hem bestraft en de Nederlanders raakten zichtbaar gefrustreerd. De frustratie, in combinatie met het verregende en gladde veld, leidde tot gevaarlijke capriolen. De Nederlandse voetbalschoenen gleden steeds verder door richting de enkels van de Tsjechoslowaken. Toen de Tsjechoslowaken ook nog eens uit – uiteraard een twijfelachtig gegeven vrije trap – de 1-0 in het net prikten en daarna weigerden op een enkele manier nog over de middellijn te komen en op alle manieren de wedstrijd begonnen te saboteren, nam de irritatie bij de Nederlanders almaar grotere vormen aan. Op dat moment probeerde Thomas zijn gezag met het gul uitdelen van kaarten te handhaven, een missie die onherroepellijk faalde. ‘Een gebrek aan manieren’, zo omschreef de scheidsrechter later het gedrag van de spelers. ‘Moet Johan Cruijff het spel soms aan mij gaan uitleggen?’, vroeg hij zich later retorisch af, toen hij de beelden terug zag van een voortdurend commentaar leverende Nederlandse aanvoerder. Hij verweet Cruijff arrogantie: ‘Jij scheidsrechter, jij moet je niet teveel met mij bemoeien,’ zo omschreef Thomas Cruijffs houding. Cruijff vond de houding van de scheidsrechter echter ‘belachelijk’. ‘Dit waren wij helemaal niet gewend.’

De eerste rode kaart van de wedstrijd kreeg geen Nederlander, maar de Tsjechoslowaak Polak, die met een ruzietje met – uiteraard – Cruijf en een harde tackle op Neeskens twee gele kaarten verzamelde en van het veld moest. De kansen leken te keren voor de Nederlanders. Toen verdediger Ondruš ook nog eens de 1-1 erin prikte, moest de finale tegen West-Duitsland alsnog in de verte aan de horizon verschenen zijn. Het had dan wat kleerscheurtjes gekost, met nog een stief kwartiertje op de klok en een man meer op het veld dan de matige Tsjechoslowaken gloorde er hoop voor de Nederlanders. Het bleek een illusie.

Aan het einde van de officiële speeltijd was de scheidsrechter het gemopper van Cruijff zat en gaf hij hem een gele kaart, in plaats van een vrije trap mee, toen Cruijff zichtbaar geërgerd de Welshman erop attendeerde dat hij wel degelijk geraakt zou zijn. In de aanval daarop kon Neeskens zich niet inhouden en vlakbij de cornervlag schopte hij een Tsjechoslowaak van achter half doormidden. Hij liet Thomas geen keus: ook Nederland was met tien man over en de withete Neeskens moest door bondscoach Knöbel en de verzorger van het geld geholpen worden. Een tijdlang bleef Neeskens bij de cornervlag nog de scheidsrechter van commentaar voorzien.

De verlenging brak aan en heel Nederland veerde op toen Cruijff op volle snelheid naar het vijandige doel dribbelde. Een Tsjechoslowaakse verdediger had geen keus en trok aan de noodrem. In de hoop een mogelijke rode kaart te ontlopen hief de verdediger meteen zijn hand onschuldig op, terwijl Johan Cruijff doorrolde na de grove charge. In plaats van een rode kaart, liet de scheidsrechter doorspelen. De scheidsrechter had inmiddels blijkbaar zo’n hekel gekregen aan de betweterige aanvaller, dat hij deze gruwelijke aanslag op ’s werelds beste benen van dat moment onbestraft liet. Om het verhaal nog cruër te maken: na de charge werd de bal hard naar voren gespeeld en bij toeval viel hij niet veel later in het Nederlandse doel: 2-1. Bij het zien van de beelden – ruim dertig jaar na dato – meldt de scheidsrechter dat hij een fout heeft gemaakt: ‘dat was een overtreding op Johan Cruijff en als ik toen de juiste beslissing had genomen, dan had Tsjechoslowakije dat doelpunt niet gemaakt.’

Op dat moment in de wedstrijd sloegen echter de oranje stoppen door. Van Hanegem weigerde af te trappen en wilde alsnog een vrije trap voor de overtreding op Cruijff enkele minuten daarvoor. Toen Thomas hem uiteindelijk ook een rode kaart gaf, weigerde de dwarse middenvelder het veld te verlaten. De scheidsrechter smeekte de Nederlandse bank hem te helpen Van Hanegem van het veld te krijgen. Thomas was ten einde raad en leek zelfs een moment een staking te overwegen. Uiteindelijk wandelde Van Hanegem doodgemoedereerd van het veld, meteen tegen een journalist vertellend dat hij niet bepaald onder de indruk was van de autoritaire houding van de scheidsrechter: ‘Ik ben geen hond. Als hij iets tegen mij wil zeggen, moet hij naar mij toe komen.’ Met die regels maakte Van Hanegem eens te meer duidelijk dat leidsman en spelers een totaal ander beeld van normen en waarden hadden. De vrijgevochten Nederlanders waren totaal niet gewend aan de aartsconservatieve Clive Thomas en uiteindelijk eindigde de verlenging in 3-1. Het zou het laatste eindtoernooi zijn waarop de legende Cruijff actief zou zijn. Helaas had hij in 1976 vooral zijn mond, en minder zijn benen, laten spreken.

In deel twee, dat morgenochtend verschijnt, wordt aandacht besteed aan de rest van het toernooi. Hoe verwierf de onbekende West-Duitse debutant Dieter Müller Europese faam en hoe wisten de Tsjechoslowaakse underdogs het toernooi te winnen? Kijk morgen op De Skybox voor deze informatie – en veel meer! – over het EK 1976.

Over Remy Maessen

"Ik herinner het me als de dag van gisteren. Het was zaterdagmiddag rond een uur of twee. Die ochtend had ik – als voorhoedespeler van de D-jeugd van de inmiddels niet meer bestaande voetbalclub KVC – waarschijnlijk weer wat kansen om zeep geholpen en ik zat inmiddels huiswerk te maken. Mijn vader, toenmalig bestuurslid van VVV, vroeg of ik zin had om die avond samen met hem naar ‘De Koel’ – nog steeds Neerlands meest pittoreske voetbalstadion – te gaan voor de wedstrijd tussen VVV en FC Den Bosch. De Venlonaren hielden het Den Bosch van Ruud van Nistelrooij en Anthony Lurling op 1-1 en mijn liefde voor het spelletje was geboren. Inmiddels, 14 seizoensgidsen van Voetbal International verder, ben ik bijna afgestudeerd als parlementair historicus en durf ik te zeggen dat ik van meer antiquarische voetbalfeitjes – van lang vergeten eindtoernooien tot de Nigeriaanse competitie anno 2011 – op de hoogte ben dan menig ander liefhebber. Deze feitjes zal ik – evenals mijn ervaring als hoofredacteur van diverse tijdschriften – gaan aanwenden om dit initiatief tot een succes te maken. Kleine momentjes en kenschetsen van vergeelde voetbalbladzijden vormen mijn specialisatie – bedoeld om bij elke lezer een ‘aha-erlebnis’ op te wekken."
%d bloggers liken dit: