//
Artikel
Artikelen

Van onneembare vesting tot summiere sporen van de tijd – Over melancholie en traditie. Een reis door de Wageningse voetbalhistorie.

Ze zijn zichtbaar vanaf grote afstand. In het zo karakteristieke rivierenlandschap, met de Rijn die meanderend door het landschap loopt, glooiende stuwwallen als relikwie van de prehistorie en uiterwaarden als panorama, nemen zij een speciale plaats in. Nee, het zijn niet de vele door Moeder Natuur overwoekerde schoorstenen van fabrieken die herinneren aan een tijd waarin beton als bouwmateriaal vergeven was aan de toekomst en roken nog niet als taboe werd gezien. Hoewel de industriële revolutie zichtbaar zijn sporen heeft achter gelaten in het landschap gaat het hier om een ander waardevol stukje cultuurhistorie. Het zijn vier pijlers van een trots voetbalverleden; de stadionlampen van de Wageningse Berg. Als trotse zuilen van één van de belangrijkste episodes uit de Wageningse geschiedenis dragen zij de schoonheid van het verleden en de treurnis van het heden met zich mee. Sinds 1992 is FC Wageningen niet meer en zal de doorgewinterde fan het karakteristieke groen-witte tenue louter terugvinden in museumcollecties, met het stadion als een in de bossen verborgen Open Lucht Museum. Dat wat ooit een plaats van optimisme en passie was in de weekenden van de stad, oogt nu als een uitgemergeld relikwie van lang vervlogen tijden.

Stadion De Wageningse Berg in huidige staat


A trip down memory lane: het verleden op de Wageningse Berg         

Een roemruchte anekdote ‘in het Wageningse’ luidt dat voetbal op de berg een haast religieuze bezigheid was: in dit stadion, officieel het hoogst gelegen voetbalstadion van Nederland, zag de Heer erop toe dat de trouwe fans in penibele tijden konden rekenen op Hemelse hulp. De hand van God, ironisch genoeg ooit toegeschreven aan een even gestoorde als briljante Diego Maradona, die het werkvoetbal op de berg zegent: het is een anachronisme dat het nog altijd goed doet in de vele kroegen die Wageningen rijk is. Onder de trouwe aanhangers is de teleurstelling over het faillissement nog altijd een pijnlijk gegeven: Wageningen is volgens hen de stad die zich ooit liet kenmerken als Stad der Bevrijding, de plaats van de Landbouw Universiteit (LU) en, jawel, de stad van de groen-witte voetbaltrots. Meer en meer verschuift de focus van de gemeente richting de universiteitsfunctie, een gegeven waarvan de kille en sfeerloze Universiteitscampus in de stedelijke periferie en de nieuwe naam van de universiteit –Wageningen University and Research (WUR) – de levende bewijzen zijn.
Een wandeling door wat over is van het eens zo sfeervolle stadion doet denken aan een trip down memory lane. De tribuneresten als overblijfselen van een ver verleden, de tand des tijds als sluier over het stadion. Een tijd die zich liet kenmerken door de geur van kortgemaaid gras, brandende sigaren van de plaatselijke Schimmelpenninckfabriek en de diep doorzengende geur van verschraald bier en urine. Jaren waarin betonnen stadiongrachten nog niet bestonden en waarin men nog gewoon anderhalve gulden neertelde voor een van vet doordrongen broodje braadworst.  Vaders met kinderen op de tribunes, die al vanaf jonge leeftijd het Wageningse voetbalevangelie van huis uit meekregen. Supporters die na een vaak voorkomende nederlaag gedwee de berg afzakten naar de binnenstad om hun verdriet weg te drinken, in plaats van de door XTC en cocaïne beïnvloede capuchonhooligans die heden ten dage met straatklinkers in hun hand verhaal komen halen bij een al dan niet falend clubbestuur. Nee, voetbal op de berg was een belevenis. Een wekelijks uitje voor de vele trouwe supporters die de stad rijk was. ‘Sensatie op de Berg is enkel wat het volk hier blieft, en geeft dat af en toe verlies, dan nemen wij dat ook voor lief’, aldus het destijds overal in de stad bekende clublied. Over de stijl van voetballen waren de fans het ook wel eens: “de beuk er in, is onze stijl, wij houden niet van tikkie terug, daarin zien wij totaal geen heil’ luidde het clublieddevies stoer. Teksten die men tegenwoordig alleen nog terugvindt in het jargon van de Superboeren uit Doetinchem of de supportershomes in Rotterdam-Zuid.

Ze juichen tot in de bomentoppen: Wageningse voetbalsuccessen    
Hoewel voor de Wageningse voetbalsupporter de promotie naar de Eredivisie als voornaamste reden tot juichen gold, wist FC Wageningen op sportief gebied enkele nog grotere successen te boeken. Vooral in de jaren zeventig – de jaren die de geschiedenisboeken in zijn gegaan als de tijd waarin Michels’ totaalvoetbal de wereld veroverde – werden de glazen ook regelmatig op de berg geklonken. In het seizoen 1979-1980 wist FC Wageningen Cambuur Leeuwarden met 3-0 te verslaan in een allesbeslissende wedstrijd in de nacompetitie voor het toeziend oog van een ruime 20.000 toeschouwers. Mensen die in bomentoppen klommen, afwezige veiligheidsnormen en vooral een uitgelaten sfeer op de volgepakte Berg: het zijn zaken die in schril contrast staan met de huidige Jupiler League wedstrijden, waarin uitsupporters vaak met één auto komen en coaches zichzelf door betonnen stadions horen galmen bij het geven van aanwijzingen. Nee, FC Wageningen hoefde geen supporters achter doelen te schilderen, zoveel moge duidelijk zijn.
Het onbetwiste hoogtepunt in de clubhistorie vond ongetwijfeld plaats op 21 december 1977. In het Philips Stadion in Eindhoven nam PSV – de trotse lijstaanvoerder van de eredivisie en de ploeg die later dat jaar de UEFA Cup zou winnen – het op tegen FC Wageningen in het bekertoernooi. De gebroeders Van de Kerkhof, Ernie Brandts, Jan van Beveren en Willie van der Kuijlen tegen local heroes als Stanley Bish, Jan Menting, Bram Braam en showkeeper Harry Suvee: het klinkt als een episode uit de boeken van ‘Snelle Jelle’ of ‘Kick Wilstra’. Uitslag? Een beschamende 1-6 nederlaag voor de Eindhovenaren die later dat jaar ongeveer alles wonnen wat er te winnen viel. Een stukje clubhistorie dat zijn weerga in het Wageningse niet kent.
Niet alleen lokale helden als Charley en Ton van de Weerd, Frits van der Klift, Frans van Ernst, Jan van Osenbruggen, Gerdo Hazelhekke, Eus van Vijfeicken en Jan Oosterhuis kenden hun finest moment op de Berg, maar ook voetbalcoryfeeën Willem Van Hanegem – die er als assistent-trainer het fundament legde voor zijn latere trainerscarrière –  Fritz Korbach en Jan van Halst – voordat hij middels Videopaint wijsheden kon gaan verkondigen als voetbalanalyticus – hebben allen een geschiedenis in de Stad der Bevrijding. Het zijn in elk geval namen die over twintig jaar nog bellen doen rinkelen bij menig voetballiefhebber. Dat kunnen we niet stellen van de Dion Malones en Gino Felixdaals van deze wereld die hun boterham verdienen bij een zielloze voetbalvereniging als AFC Almere City. Hoewel de sportieve historie van de Wageningse voetbaltrots opmerkelijke parallellen vertoont met die van een beroepsdegradant als De Graafschap, was een uitwedstrijd voor menig Eredivisieclub op de Berg geen gegarandeerde walk-over. Zoals menig trainer ooit ongetwijfeld in zijn handleiding had staan: het kon stormen bij FC Wageningen, met de Berg als ‘onneembare vesting’.

De grond die trilt in Arnhem: Wageningse antipathie jegens Vitesse 
Volgens menig cultureel antropoloog is identiteitsvorming het vormen van een eigen identiteit middels het afzetten jegens ‘de Ander’. Deze parafrasering vormt niet alleen de leidraad van menig wetenschappelijk antropologisch betoog, maar is ook de basis van de mentaliteit onder de Wageningse supportersschare. De plaatselijke ‘FC’ was alles dat het nabije Vitesse uit Arnhem níét was: down-to-earth, de underdog en bovenal doordrongen van een ‘de mouwen opstropen’-mentaliteit in plaats van het showvoetbal dat men op Monnikenhuize predikte te spelen, de oude thuishaven van Vitesse. Niet alleen de doorgewinterde Nijmegenaar moest immers niets hebben van het ovationele gepoch van de Arnhemse voetbalfan, nee ook in Wageningen hoeft men het nog altijd niet te wagen om met een Vitesseshirt een bruine kroeg binnen te wandelen.  Ook het clublied doet weinig moeite deze weerstand tegen alles van Arnhemse voetbalmakelij te verhullen: ‘Reken maar als groenwit scoort, koel het doel doorboort, dan schudt de hele stad van Berg tot Nudepoort, zodat het zelfs in Arnhem wordt gehoord’.
Vaak aangehaalde kernoorzaak voor deze immer aanwezige antipathie was en is beroepscharlatan Karel Aalbers, de man die er even goed in was een club tot grote hoogte te leiden als het nagenoeg tot faillissement brengen van dezelfde vereniging. Held onder de Arnhemse supporters, gevreesd door gemeentelijke subsidieschenkers. Wat wil immers het verhaal? Op het moment dat FC Wageningen in 1992 op faillissement afstevende, stelde de licentiecommissie van de KNVB de FC een ultimatum: vóór  31 januari diende er een licentieaanvraag gedaan te worden. Om dit doel te bereiken, met een schuld van 800.000 gulden in het achterhoofd, diende het eerst tot een akkoord te komen met de fiscus. Ondanks verwoede pogingen van de Wageningse businessclub om onder een nieuwe naam ‘Stichting VC Wageningen ‘92’ een herstart te maken – wat leidde tot een principeakkoord met het Ministerie van Financiën – hield de KNVB voet bij stuk: er zat geen rek meer in het uitgemergelde leven van de Wageningse voetbaltrots. De commissie die ging over de beoordeling van dit principeakkoord telde één opvallend lid: Vitesse-voorzitter Karel Aalbers. Als donderslag bij heldere hemel konden leden van de businessclub twee weken na faillissement post verwachten: of zij er niet aan gedacht hadden Vitesse te gaan sponsoren. Logisch doelwit van de Wageningse antipathie: het zwarte schaap Karel Aalbers.

Een stille getuige van een rijke historie             
In een tijd waarin 800.000 gulden(!) schuld voldeed om het doek te laten vallen voor een Betaald Voetbal Organisatie (BVO), was het verkopen van trainingsvelden aan een gemeente een ondenkbaar redmiddel: in plaats van daarvan een handvol nieuwe spelers aan te trekken, piekerde de Gemeente Wageningen er niet over om de beperkte gemeentelijke schatkist te spenderen aan een voetbalclub die zichzelf in de problemen had gewerkt. De gevolgen waren desastreuzer dan gedacht: hoewel een stad als Wageningen  nog altijd meer allure heeft dan het Brabantse Roosendaal – waar onlangs ook een BVO ter ziele ging – is een deel van de stedelijke ziel verloren gegaan. Daar waar een stad als Roosendaal nu vooral bekend staat om zijn treinstation op de route naar Brussel als wel het voormalige ‘Rosada’-stadion op geen enkele wijze doet denken aan een Open Lucht Museum, daar is stadion De Wageningse Berg een stille getuige van een rijke historie. De bal rolt echter al jaren niet meer. Nog altijd slaan reünisten de handen ineen voor jaarlijkse jubileumwedstrijden: prachtige initiatieven die de bittere smaak van een verloren stukje stadshistorie echter niet kunnen wegspoelen.
In contrast tot traditieloze voetbalclubs als AFC Almere City – de bedrijfspoedel van Amsterdam-Zuid – zal FC Wageningen ook over twintig jaar nog bekend zijn onder vele voetbalfans. Natuurlijk, het voetbal deed eerder denken aan veredeld rugby en de prijzenkast is angstig leeg, maar de band die de club had met de stad en met name de supporters bestaat tot aan vandaag de dag. Voor clubs als Wageningen was dat dan ook het primaire doel: het scheppen van cohesie binnen een stad, waarbij sociale vereniging hoog in het vaandel stond. De eerste aanzetten tot een grondige herbestemming van de Wageningse Berg zijn reeds gezet, wat moet leiden tot de geboorte van een food and health centre van de WUR, terwijl de overblijfselen van het stadion in originele staat worden teruggebracht. Het fluitsignaal zal echter waarschijnlijk nooit meer klinken op de Berg. Wat rest zijn de zoete herinneringen: een blijk van melancholie naar de Wageningse helden van weleer.

Bronnen:
Bor, R. en Molenaar, A., De onneembare vesting. Betaald voetbal op de Wageningse berg 1954-1992. (Wageningen 2001).

Over Boudewijn Wijnacker

"Voetbal is voor mij meer dan datgene dat zich binnen de lijnen afspeelt. Als cultuurhistoricus en stadsgeograaf ben ik van mening dat het bestaan van een BVO kan bijdragen aan de identiteit, historie en het karakter van een dorp, stad of regio. Vooral het mannelijke deel van een stedelijke populatie kent vaak een sterke affiniteit met een plaatselijke voetbalvereniging. Het is deze invloed van een voetbalvereniging op de samenleving die voor mij de drijfveer vormt voor het oprichten van De Skybox met mijn zeer gewaardeerde collega’s. Mijns inziens blijft dit spanningsveld tussen maatschappij en voetbal onderbelicht in overige voetbaltijdschriften en websites: voor zakelijke verslagen van gespeelde wedstrijden verwijs ik je dan ook graag door naar andere webpagina’s. Daar waar mijn collega’s meer thuis zijn in de internationale naam en faam van het voetbal, duik ik graag in de spelonken van het Nederlandse betaalde voetbal, met name de Eerste Divisie. Voetbal staat hier dicht bij de mensen, getuige de van een gratis seizoenskaart voorziene fans van Helmond Sport, die vanaf hun tuinstoelen op het dak van het schuurtje in de eigen tuin het vaak matige voetbal gade kunnen slaan. De lezer kan van mij licht cynische beschouwingen van opmerkelijke gebeurtenissen verwachten, die zich zowel binnen als buiten de lijnen afspelen. Bovendien zal ik me focussen op nostalgisch getinte artikelen, analyses van de cultuurhistorische waarde van door de tand des tijds aangetaste voetbalstadions en odes aan vergeten voetballers."
%d bloggers liken dit: